Beroemde Graven

* Antwerpen (Bel.) 3 mei 1892 - † Amsterdam 26 november 1927
Pierre Gilliams, schoenmaker, en Marie Crets hadden drie kinderen. Hun oudste zoon stierf op 5-jarige leeftijd waardoor zoon Frans en dochter Joanna Jacoba (Jeanne zoals zij oorspronkelijk werd genoemd) overbleven. Jenny was een mooi meisje dat had geleerd voor modiste en met het geld dat zij hiermee verdiende zanglessen nam bij de toen bekende zangpedagoge Berthe Seroen. Met broer Frans zong zij wel in het café wat haar vader bezocht. Dit leidde ertoe dat ze werd uitgenodigd in het koor van de Vlaamse Opera te komen zingen. In 1912 trouwde ze met haar buurjongen Freddy Elbers, een kapper die in een amateur-toneelgezelschap kleine rollen speelde. Jenny deelde zijn belangstelling voor het toneel en samen met broer Frans en diens echtgenote Francien speelden ze op bruiloften en partijen.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtten vele Belgen naar Nederland. Zo ook Jenny en Freddy. Zij kwamen in Hoorn terecht waar Jenny haar vaardigheid als modiste te gelde bracht en zo voor de nodige inkomsten kon zorgen. Toen Frans en Francien later naar Hoorn kwamen vormden ze gevierenlijk een cabaretgezelschapje waar ze veel succes mee hadden. Aan de samenwerking kwam in 1916 een eind toen Jenny's zoon Freddy was geboren. Ze vertrokken naar Amsterdam waar vader Freddy als kapper in de Leidsestraat ging werken en Jenny door Max van Gelder geëngageerd werd. Na de oorlog wilde Freddy weer terug naar Antwerpen doch Jenny wenste in Nederland te blijven. Dit had tot gevolg dat het paar door echtscheiding uit elkaar ging.
Toen ze in 1919 in een Roosendaals café met een liedjesprogramma optrad, zat Jean-Louis Pisuisse toevallig in het zaaltje. Hij vroeg haar voor zijn cabaret en op 27 april 1919 opende zij de avond met Vlaamse liederen. Paul Collin, een cabaretcollega, ontfermde zich over haar, leerde haar Franse liedjes en ontving haar samen met zijn vrouw in hun huis. De omgang met Pisuisse bleef niet zonder gevolgen. Op 31 maart 1920 werd hun dochter Jeanne-Louise Wilhelmina (Jenneke later Jenny) geboren. Pisuisse was nog getrouwd met Fie Carelsen. Beide vrouwen waren in zijn leven verankerd; hij kon eigenlijk niet zonder ze. Ondanks dat hij altijd een plaats in haar hart had verworven liet Fie zich evenwel op 14 november 1925 van hem scheiden. Op 16 juli 1927 werd het huwelijk tussen Jenny en Jean-Louis gesloten. Dit bracht echter geen rust in hun relatie. Pisuisse kon zijn gevoelens voor beide vrouwen niet op orde brengen waardoor er spanningen in het huwelijk optraden. Een tournee door Indië leek wat rust te brengen maar toen Jenny een kortstondige romance met haar collega Tjakko Kuiper had laaiden de conflicten weer op. Jenny koos uiteindelijk voor haar echtgenoot Pisuisse wat door Tjakko Kuiper niet in dank werd afgenomen. Op 26 november 1927 begin hij een wanhoopsdaad; op het Rembrandtsplein in Amsterdam schoot hij zowel Jenny als Jean-Louis dood, waarna hij de hand aan zichzelf sloeg.
Zij werden in de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam opgebaard. Hun eikenhouten kisten waren voorzien van een koperen plaat waarop hun naam, geboorte- en overlijdensdatum. Na afloop van de afscheidsdienst reed de begrafenisstoet, begeleid door hun collega's en vrienden, stapvoets door Amsterdam. Op de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag werden zij onder zeer grote belangstelling neergelaten in graf 1 3217, eerst Jean-Louis daarna zijn vrouw Jenny. Hun begrafenis was een postuum eerbetoon geworden.
Door een meningsverschil tussen de families Pisuisse en Gilliams werd Jenny op 27 maart 1928 uit het graf verwijderd en in het naastgelegen graf 1-3218 herbegraven. Fie Carelsen, die in 1970 het eigendomsrecht van het graf van Pisuisse had verworven had in haar testament opgenomen dat ze in zijn graf wenste te worden begraven hetgeen na haar dood in 1975 geschiedde.
Literatuur
- Willy Corsari: Liedjes en herinneringen (1972)
- Jenny Pisuisse: Jean-Louis Pisuisse. De vader van het Nederlandse Cabaret (1977)
- Anke Hamel: Mijn liefste lief. Brieven van Jean-Louis Pisuisse aan Fie Carelsen (1989)

* Würzburg (Dld) 9 juni 1884 - † Bussum 11 mei 1978
Johannes Pieter Jacobus Helmich Clinge Doorenbos, roepnaam Hens, maar iedereen noemde hem Clinge, hield wel van een grap. Toen hij in De Telegraaf moest lezen dat hij op 15 februari 1978 was overleden reageerde hij, geheel in zijn stijl, met het volgende rijm:
Tóch ben ik gezond gebleven
En lééf voor zover ik weet.
'k Ben van achttien vier en tachtig,
Dus betrekkelijk niet oud.
Elke middag tegen zessen
Vraag ik: staat de Bokma koud?
Dramatisch genoeg overleed hij slechts enkele maanden later werkelijk.

* Middelharnis 5 september 1842 - † Amsterdam 28 april 1925
Louis Bouwmeester geldt als één van de grootste Nederlandse acteurs. Vooral als Shakespeare-vertolker maakte hij naam. In 1882 ontving hij van Willem III de gouden medaille voor Kunsten en Wetenschappen. In 1902 verliet hij het Nederlandsch Tooneel, om zelf als Directeur op te treden van het Haarlemsch Tooneelgezelschap. In 1903 trad hij enige malen op te Parijs en te Londen, waar zijn spel zeer geroemd werd. Bij zijn uitvaart stonden duizenden mensen langs de weg. 'De Telegraaf' herdacht hem met een meeslepend gedicht waarvan de laatste regels luiden:
Nooit zal Nederland u vergeten
Uw genie en Uwen geest
't Verst na-geslacht zal weten,
wie Bouwmeester is geweest.
(2001)

* Utrecht 15 februari 1825 - † 's-Hertogenbosch, 25 mei 1894
In Utrecht werd op 15 februari 1825 Paulus Jan Bosch van Drakestein, heer van Drakestein en Drakenburg, geboren. Zijn vader Jhr. Mr. Frederik Lodewijk Herbert Jan was onder andere lid van de Eerste Kamer. De familie was katholiek en kende een rijke traditie als bestuurders. Die achtergrond bepaalde dan ook min of meer de loopbaan van Paulus Jan.
Zijn scholing kreeg Paulus Jan aan het Atheneum Illustre te Amsterdam. Daar bereidde hij zich ook voor op een examen Romeins en hedendaags recht aan de Hogeschool te Utrecht. Hij promoveerde daar in 1848 en vestigde zich vervolgens als advocaat in Amsterdam. Hier trad hij in 1851 ook toe tot de gemeenteraad waar hij waarschijnlijk zijn eerste bestuurservaring opdeed. Tijdens zijn verblijf in Amsterdam werd hij ook lid van het College van Curatoren van de Stadsarmenschool. In 1852 trad Paulus Jan in het huwelijk met Elisabeth Henriëtte Johanna Bosch. Het echtpaar kreeg vijf dochters en twee zoons.
Uiteindelijk werd Paulus Jan benoemd tot rechter in Amsterdam. In 1856 kreeg hij een aanstelling in dezelfde functie bij de Arrondissementsrechtbank te Amersfoort. Dit duurde echter niet lang omdat hij op 1 oktober van datzelfde jaar benoemd werd als Commissaris van de Koning(in) in Noord-Brabant. Dit zou hij 38 jaar lang blijven, de langst zittende commissaris in Noord-Brabant. Politiek gezien was Paulus Jan liberaal, wat blijkt uit zijn lidmaatschappen van verschillende kiezersverenigingen zoals de antirevolutionaire vereniging "Nederland en Oranje". Dat hij iets met de Oranjes had blijkt wel uit het feit dat hij kamerheer in buitengewone dienst was van koning Willem III.
Op 25 mei 1894 overleed Bosch van Drakestein in 's-Hertogenbosch. Daar werd hij echter niet begraven. Paulus Jan kreeg een laatste rustplaats op het grafveld van de familie op de Rooms-katholieke begraafplaats Carolus Borromeus in Soesterberg. De familie Bosch van Drakestein had in 1838 de aanleg van deze begraafplaats mogelijk gemaakt door een stuk van het landgoed Sterrenberg af te staan aan de parochie. Een groot stuk werd gereserveerd voor de familie en vanaf 1851 werden hier enkele tientallen familieleden begraven. In 1894 kreeg Paulus Jan een prominente plaats met een groot neoclassicistisch grafmonument naar ontwerp van de architect Jules Dony. Het geheel uit natuursteen vervaardigde monument bestaat uit een grote opstand met daarvoor een liggende grafsteen.
Het meest in het oog lopend is een bronzen plaquette waarop de buste van Paulus Jan is aangebracht. Op zijn borst prijken diverse onderscheidingen. Hij was onder andere Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, ridder tweede klasse in de Orde van de Gouden Leeuw van het Huis van Nassau (1874) en het Grootkruis in de Orde van de Eikenkroon (1888). Het portret laat een op en top 19de-eeuwse staatsman zien.
Naast zijn grafmonument in Soesterberg he
rinnert in 's-Hertogenbosch nog een ander bijzonder monument indirect aan Paulus Jan Bosch van Drakestein. Op het stationsplein in deze stad staat een grote fontein met een rond bassin waar in het midden een zuil staat waarop een gouden draak is geplaatst. De fontein werd hier in 1903 geplaatst nadat de gemeente daartoe een wedstrijd had uitgeschreven. Die wedstrijd was het gevolg van een legaat van 10.000,- gulden dat de commissaris de stad had geschonken. Met dat legaat moest de stad een monument maken ter aandenken aan zijn tweelingdochters die in 1881 op 17-jarige leeftijd waren overleden. In het legaat was vastgelegd dat er een fontein geplaatst moest worden waarvan het water kosteloos aan de bevolking verstrekt diende te worden.
Degene die het monument mocht maken was wederom Jules Dony. Hij won weliswaar niet de eerste prijs, maar toch mocht hij monument maken. Waarschijnlijk omdat Dony ook verantwoordelijk was voor de wijk het Zand die rondom het stationsplein was aangelegd. Vandaag de dag staat de Draak, zoals het monument wordt genoemd, nog steeds op zijn prominente plaats en herinnert aan de familie Bosch van Drakestein. (2004)
Literatuur
- Loeff, Karel, Het Monumentenboek, Zwolle 2002, blz. 282
- Redengevende omschrijvingen Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Internet
