Het Groningse dorp Sellingen is ontstaan op een zandrug ten oosten van de Ruiten-Aa. De vroegste bewoners hielden zich vooral bezig met landbouw, maar al in de twaalfde eeuw waren ze kapitaalkrachtig genoeg om een eigen kerk te bouwen. De huidige kerk wordt gedateerd rond het jaar 1300 en is geheel uit baksteen opgetrokken. Hoewel er vandaag de dag geen sporen van begravingen te vinden zijn in de kerk is deze wel degelijk daarvoor gebruikt.
Overzicht over het oudste gedeelte van de begraafplaats.In ieder geval werden bij restauratiewerkzaamheden in de jaren zeventig van de vorige eeuw zo’n 20 graven gevonden waarvan enkele dateerden van rond 1100. Na 1829 zal er niet meer in de kerk begraven zijn en werd alleen nog het kerkhof gebruikt. Het dorp mocht het kerkhof blijven gebruiken omdat het aantal inwoners destijds zo’n 200 bedroeg, ruim onder de grens van 1.000 inwoners die voorgeschreven was in de provinciale regelgeving voor het mogen blijven begraven binnen de bebouwde kom. Kerk en kerkhof samen hadden een grootte van 2.500 m2 en lagen ver genoeg van de toenmalige bebouwing. Op het kerkhof resteert nog één grafzerk die verwijst naar drie begravingen, waarvan de laatste uit 1876 voor landbouwer Dethmer J. Meendering.
De begraafplaats
Begin 1874 vroeg een inwoner van Sellingen in de krant naar de reden dat B&W van de gemeente Vlagtwedde afzagen van het aanleggen van een nieuwe begraafplaats in Sellingen. Volgens het bericht waren er al wel aankopen voor grond gedaan. Wellicht was de vraag wat voorbarig, want de plannen gingen wel degelijk door. Dat kwam ook omdat de provincie Groningen de gemeente hiertoe dwong aan de hand van de Begrafeniswet van 1869. Gedeputeerde Staten van Groningen vonden dat het kerkhof in Sellingen niet meer geschikt was en dus gesloten moest worden.
De percelen die de gemeente had aangekocht lagen ten westen van de kerk en daar werd de nieuwe begraafplaats aangelegd. De plek lag nog net op de wat hoger gelegen gronden. In 1875 werd er voor het eerst begraven. De begraafplaats was te bereiken vanaf de kerk via het zogenaamde kerkepad aan de noordzijde. De grootte van het perceel dat aangekocht was, bedroeg ongeveer 4.700 m2. De toegang die eerst aan de noordzijde lag, is later verplaatst naar de zuidzijde waar de huidige Ds. W. Reindersweg ligt. Op kadastrale tekeningen is te zien dat het oude pad ten noorden uiteindelijk bij de begraafplaats getrokken is, evenals een strook aan de oostzijde en later ook noordelijk van het oorspronkelijke perceel. Dit verklaart ook de invoeging van nieuwe grafregels aan de oostzijde van het oudste vak.
Van 1879 is uit de Provinciale verslagen bekend dat er op de begraafplaats dat jaar 7 lijken werden begraven, terwijl dat er in1880 waren 8 waren.
De inrichting
Over de inrichting van de oorspronkelijke begraafplaats is weinig bekend. Een indicatie over de oude inrichting is te vinden in de huidige ligging van de graven op het oude gedeelte. Oude luchtfoto’s geven een idee over een andere oriëntatie van het tweede grafvak, B genaamd. Daar liggen nu tussen de rijen met graven nog enkele ‘dwarsliggers’, stenen met een andere oriëntatie en op sommige plaatsen midden in het pad. Sommige rechthebbenden zullen aanpassing aan de herinrichting geweigerd hebben en daarom liggen er nog enkele stenen uit de lijn of zelfs in het pad.
Enkele dwarsliggers waarvan de rechten nooit zijn opgegeven, vallen nu sterk op.In september 1910 werden er in de raadsvergadering van Vlagtwedde vragen gesteld over de toegangsweg naar de begraafplaats, maar die bleek niet in handen van de gemeente te zijn. In 1913 werd daarom door B&W verzocht het onderhoud van het verharde gedeelte van deze weg over te dragen aan de gemeente en daarbij ook het eigendom in handen te krijgen. In 1930 kwam hetzelfde verzoek weer ter vergadering, wat er op wijst dat de overdracht niet had plaatsgevonden. Overigens lag er in eerste instantie alleen een weg vanaf de kerkzijde, maar later is de weg doorgetrokken.
Eind 1915 werd de aanbesteding gedaan voor de bouw van een lijkenhuisje dat mogelijk diende ter vervanging van een eerder exemplaar. Het huisje zal in 1916 gebouwd zijn op een uitbreiding ten westen van de begraafplaats. In dat jaar werd gemeld dat de gemeente eigenaar was geworden van een perceel naast de begraafplaats. Vreemd genoeg staan hier her en der grafmonumenten die verwijzen naar begrafenissen uit het eind van de negentiende eeuw. Of die later hier zijn geplaatst door familie na overbrenging uit het andere grafvak of dat deze verwijzen naar oorspronkelijke begrafenissen, is niet duidelijk. Het feit dat deze graven voor bepaalde tijd zijn uitgegeven wijst mogelijk op dat eerste. De overige grafmonumenten zijn pas na de Tweede Wereldoorlog geplaatst.
Het lijkenhuisje in 2023.
Een idee over het groeiend aantal jaarlijkse begrafenissen krijgen we uit een overzicht in 1919. Dat waren er in 1918 36. De kosten voor een eigen graf werden in 1920 bepaald op 5 gulden, maar werden op voorstel van B&W in dat jaar voor alle begraafplaatsen in de gemeente op 8 gulden bepaald.
In 1920 leende de gemeente geld voor de vergroting van de begraafplaats. Dit had mogelijk betrekking op de grond ten noorden van het oorspronkelijke perceel. Al na de Tweede Wereldoorlog was er wederom onvoldoende ruimte voor de uitgifte van nieuwe graven. Daarom is toen een plan bedacht om het veld B – waar mogelijk voor bepaalde tijd werd begraven – om te zetten en opnieuw in te richten. Dat is ergens in de jaren zeventig daadwerkelijk uitgevoerd.
Karakteristiek begraafplaats
Een hoge haag onttrekt de begraafplaats aan het zicht voor de voorbijgangers, maar twee ingangen geven een blik op wat er achter ligt. Bij de breedste ingang, met twee houten hekken tussen bakstenen pijlers, staat het lijkenhuisje. Deze ingang bestaat uit een loophek en een dubbel hek. Wie de begraafplaats betreedt, overziet nagenoeg de gehele begraafplaats. Alleen aan de linkerzijde staan een aantal bomen, maar naar rechts is er alleen groen in de rand rondom de begraafplaats te vinden. De haag aan de voorzijde zet zich voort rondom de hele begraafplaats. Vooral in de zomermaanden is er van de omgeving weinig waarneembaar. Bij de ingang staat nog een paal met een bus waarin giften voor de armen gegooid kunnen worden.
Van links naar rechts ziet men eerst veelal lage en bredere grafstenen van graniet. Een groot deel ligt over meerdere graven. In het midden is het beeld wat meer gemengd met aan de voorzijde wat oudere grafmonumenten, waaronder hardstenen stèles. Helemaal aan de rechterzijde is het beeld vooral dat van lange en smalle stèles, alle van hardsteen. De beplanting op de vakken bestaat vooral uit gras en een enkele struik. Twee met grind beslagen paden scheiden de drie vakken. Op het vak aan de linkerkant liggen alle graven aan paden, net als op het middelste vak. Op het rechter vak liggen de graven, op een kleine strook na, aaneengesloten in het gras. In dit vak liggen tussen de stèles ook talloze zerken op roef. Met name de keuze van sommige families om bij elkaar op rij te begraven met allemaal hetzelfde type grafmonument, vormt een opvallend element. Dergelijke ‘slagen’ zijn in het noorden van het land vrij gebruikelijk, maar de slag van de familie Tees is wel opmerkelijk. Ze behoort zeker tot de langste die er te vinden zijn in Nederland.
Op de voorgrond de slag met graven voor de familie Hesse en daarachter de rij met stèles voor de familie Tees.Het type stèle dat op deze graven staat, behoort tot het soort grafmonumenten dat veelal in Groningen en delen van Fryslân en Drenthe tot de algemene grafcultuur van de negentiende eeuw behoort. Met name de stèles die afgedekt zijn met een balk zijn typerend. Ze verwijzen waarschijnlijk naar de wijze waarop eerder houten stèles werden gebruikt. Ook de palmetten die op sommige stèles terug te vinden zijn, behoren tot de grafcultuur van Noordoost-Nederland. Tussen de talloze begravenen hier zijn ook veel kinderen begraven, maar hun grafmonumenten onderscheiden zich over het algemeen niet van die van de ouderen.
Op dit vak is op nagenoeg alle grafmonumenten symboliek terug te vinden, terwijl dat op de jongere grafmonumenten op de andere grafvakken veel minder het geval is. De symboliek op de oudere grafmonumenten is uitbundig en er is ook veel funeraire symboliek te vinden met kransen, zeisen, zandlopers, vlinders en een staartbijtende slang. Vooral de treurboom is op veel stèles terug te vinden, terwijl dat op jongere grafmonumenten vaker een palmtak is.
De vormgeving van de grafmonumenten is met name op het oudste grafvak negentiende-eeuws en in rijk aan detaillering en afwerking. Er zijn verder ook fraaie voorbeelden te vinden van de overgangsfase in de grafcultuur uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Toen werd er vaker graniet gebruikt in een strakke, meer zakelijke vormgeving. Dan ook zijn de eerste randen te zien waar later vaak (niet passende) granieten dekplaten over gelegd zijn om geen onkruid in het graf te krijgen.
Belangwekkende graven
Op de begraafplaats vinden we vooral landbouwers en verwante beroepen die het dorp Sellingen kenmerken. Het grafmonument voor gemeentearchitect Klaas Wiersma (1910-1959) valt op. Wiersma ontwierp vooral gebouwen in de regio waaronder enkele waterwerken. Op zijn graf is een kei geplaatst.
De grafsteen voor gemeentearchitect Wiersma (graf 72 02).
Op de begraafplaats zullen waarschijnlijk oorlogsdoden begraven zijn, maar hun graven zijn niet meer te vinden. Wel is er het graf van ambtenaar Albert Kamphuis (1922-1945) die betrokken was bij het verzet. In 1944 is hij ondergedoken. Hij overleed op 10 oktober 1945 in Harderwijk aan tbc.
Interessant is het monument voor Willemina Sterenberg (1876-1950). Zij was hoofdverpleegster en heeft ook gewerkt in Nederlands-Indië. Ze was eerst werkzaam in het academisch ziekenhuis in Groningen en daarna vanaf 1913 in Suriname. Na terugkomst in Nederland vertrok ze in 1922 naar Nederlands-Indië. Daar werkte ze meestal in militaire ziekenhuizen, onder andere in Kota-Radja (huidig Banda Aceh), Tjimahi (huidige Cimahi) en Salatiga. In 1930 kwam ze weer terug naar Nederland. Een maand na haar overlijden werd de hele inboedel van haar woning aan het Mesdagplein in Groningen geveild.
Het graf voor hoofdverpleegster Sterenberg (graf 45 16).
Een jonger grafmonument is er voor Johannes Daniël Schmidt (1933-1999). Schmidt was kunstenaar en er zijn met name in Zuid-Holland nog talloze kunstwerken van hem te vinden in de openbare ruimte. Schmidt verhuisde in 1992 naar Sellingen samen met zijn vrouw. Aldaar overleed hij in 1999 en werd begraven op de gemeentelijke begraafplaats. Het monument op diens graf bevat een zelfportret.
Literatuur:
- Aa, A.J. van der; Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Gorinchem 1848
- Bok, Leon, René ten Dam (red.); Canon van het Nederlands funerair erfgoed, IJsselstein 2020
- Hacquebord, L. (eindred.); Gemeentebeschrijving regio Oldambt/Westerwolde. Monumenten Inventarisatie Project provincie Groningen, ongedateerd.
- Ozinga, M.D.; Oost-Groningen, 1940
- Stenvert, Roland e.a.; Monumenten in Nederland : Groningen, Zwolle 1998
- Vries, Pieter de; Het huisje op de begraafplaats. Lijkenhuisjes in Groningen, Bedum 2007
Internet (alle geraadpleegd in november 2025):
- Diverse kranten (zoektermen kerkhof, begraafplaats en Sellingen en Apel en diverse namen) via: delpher.nl
- Protestantse Kerk Sellingen: https://pg-sellingen.protestantsekerk.net/
- Beeldbank RCE: https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/
- Alle Groningers (genealogie): https://www.allegroningers.nl/




