Beroemde Graven

* Farmsum 11 februari 1773 - † Losdorp 5 juni 1836
Een klein dorp op het Groninger land in de gemeente Delfzijl: Losdorp. Klein dorp, zo noemde men het ook in de Middeleeuwen: thet lessa thorp, het kleine dorp. De oude borg is er al lang niet meer. In de gevel van een boerderij treffen we nog een ingemetselde steen met de gebeeldhouwde alliantie-wapens Schaffer-Entens, restant van die oude borg. Ooit bewoond door Berend Schaffer, in 1615 de eerste student van de Groninger Universiteit. Oud is de kerk, daterend uit de 13e eeuw, maar ingrijpend verbouwd in 1775. De toren, gebouwd in 1662, werd eveneens in 1775 verbouwd en in 1848 verhoogd.

* Stootshorn 18 november 1857 - † Sappemeer 30 januari 1930
Geert Veenhuizen werd geboren op 18 november 1857 in de buurtschap Stootshorn bij Noordbroek. Blijkbaar was hij op de lagere school een begaafde leerling, want het hoofd der school zette zich in om hem nog iets meer mee te geven dan de geëigende basiskennis. Op de leeftijd van 13 jaar wordt Geert in de "leer" gedaan bij een plaatselijke boomkweker. In de 10 jaar die volgen, is het de doopsgezinde predikant Ds. Ten Bruggencate, die hem de nodige botanische kennis bij brengt. Dan volgen betrekkingen bij een kweker in Gouda en bij een kweker in Boskoop. Bij deze laatste leert hij de intensieve tuinbouw kennen. Door zijn huwelijk met Jantje van der Wijk, dochter van een bloem- en boomkweker te Sappemeer, kwam hij terecht op diens kwekerij en volgde hij al snel zijn schoonvader op als eigenaar. Veenhuizen wist het bedrijf in korte tijd te moderniseren en ontwikkelde zich tevens als tuinarchitect met als specialisatie het aanleggen van tuinen bij boerderijen. Als lid van een landbouwbelangenorganisatie kwam Geert Veenhuizen in aanraking met de aardappelteelt en werd zijn interesse daarvoor gewekt.

* Cloppenburg (Dui.) 23 september 1798 - † Zuiderzee 1833
De rol van de Duitsers onder de ondernemers in Leeuwarden is in de 19de eeuw markant te noemen. Grondleggers van de grote confectieateliers waren Duitse "lapkepoepen" of "fijndoekspoepen", zoals ze in de volksmond heetten. In 1826 (1829? [MM]) openden Hermann en Joseph Sinkel, afkomstig uit Duitsland, hun manufacturenzaak aan de Nieuwstad in Leeuwarden. Zij waren de eersten, die tegen vaste prijzen en uit voorraad hun kleren verkochten tegen contante betaling. Het bleef niet bij kleding, ook andere zaken gingen tot het assortiment behoren. De winkel van Sinkel stalde de koopwaar uit in een etalage, wat tot dan toe ongebruikelijk was. Na een grote uitbreiding in 1845 gingen zij door als magazijn: het eerste warenhuis van Leeuwarden. Deze formule sloeg na 1870 zo aan, dat anderen die formule overnamen.
Wie kent niet het (straat)versje:
In de winkel van Sinkel
is alles te koop,
potten en pannen,
mosterd en stroop,
hoeden en petten,
Ook damescorsetten……….
Eén van de Sinkels, namelijk Joseph Maurits Anton Sinkel, kon het succes van hun formule niet meemaken. Hij kwam wel heel tragisch aan z'n eind tijdens een reis naar Amsterdam. We lezen het op zijn grafmonument, dat zich bevindt aan de zuidzijde van de laat-gothische Grote of St. Gertrudiskerk te Workum:
'Joseph Maurits Anton Sinkel
geboren 23 september 1798
te Cloppenburg Hertogdom Oldenburg
gehuwd 27 october 1832
met Dorothea Schenkberg
op deszelfs reis van Leeuwarden zijne woonplaats
naar Amsterdam in de avond van de 28ste december
daaraanvolgende ongelukkiglijk
over boord gevallen en verdronken
Zijn lijk wierd den 27ste mei 1833
aan deze kust teruggevonden
en ter dezer plaatse begraven
Treurt ge om het ongeval door hem, uw vriend, geleden
wijdt dan zijn dierbre ziel uw vurige gebeden
Dat hij ruste in vrede'
Het grafmonument voor Sinkel is valt op door zijn grootte en vorm. In het Engels zouden we zoiets een ‘boxtomb’ noemen. Het is feitelijk een grote doos van Belgisch hardsteen die op het graf geplaatst is, afgedekt met een zware zerk. Daarmee ligt het leesbare gedeelte van het monument meer dan een meter boven de grond. Het tekstvlak neemt op de zerk het grootste deel in en is enigszins verdiept, zodat de steenhouwer een verheven letter kon maken. Onder de tekst is een gezwart vlak opgenomen met centraal een lensvormige cartouche. In die cartouche is een schedel met gekruiste beenderen opgenomen, een ferme verwijzing naar de dood. Dat Sinkel van katholieke huize was blijkt niet uit de steen. Workum kende verder alleen een joodse begraafplaats, dus daarom werd hij op het algemene kerkhof begraven.
Het grafmonument zal in de negentiende eeuw veel opzien hebben gebaard door zijn grootte. Toen moet het ook nog redelijk alleen hebben gestaan. Pas aan het eind van de 19de eeuw en later in de 20ste eeuw zijn de grafmonumenten eromheen geplaatst. Hoewel het een stevig en solide gebouwd monument betreft, slaat ook hier de tand des tijds toe. De zware hardstenen opbouw is geplaatst op een bakstenen fundering. Die fundering is door verzakkingen, ontstaan door het delven van graven in de omgeving, verzwakt waardoor de opbouw nu ook dreigt te gaan verschuiven. Het zou jammer zijn wanneer over enkele jaren blijkt dat het monument niet meer te herstellen is, omdat het monument ons herinnert aan de winkel van Sinkel en de groei van Nederlandse warenhuizen waarvoor Duitse families de grondslag legden.
Literatuur
- Monumenten in Nederland Fryslân, Rijksdienst voor de monumentenzorg; Zwolle (2002)
- Leeuwarden 750-2000 Hoofdstad van Friesland, red. René Kunst; Franeker (1999)

* Amsterdam 23 mei 1888 - † Bergen (NH) 6 augustus 1976
Adrianus Roland Holst, roepnaam Jany, was de zoon van Adrianus Roland Holst, verzekeringsagent, en Maria Elisabeth van Tijen. Na de lagere school en de H.B.S vertrok hij in 1906 naar Lausanne waar hij gedurende 8 maanden hoorcolleges geschiedenis en Franse literatuur volgde. Hij werkte korte tijd op het kantoor van zijn vader en ging in 1908 naar Oxford om political economy te studeren. In hetzelfde jaar debuteerde hij in De XXe Eeuw met enkele gedichten. Zijn verblijf in Oxford is voor wat betreft zijn dichterschap van essentiële betekenis geweest. Hij leerde er de Iers-Keltische literatuur kennen en raakte bekend met het werk van William Morris, William B.Yates en Lady Augusta Gregory. Niet alleen boeide deze tak van de literatuur hem bijzonder maar het gaf hem ook het gevoel of hij thuis kwam; het maakte, zoals hij zei, oude herinneringen in hem wakker. Omdat hij het schrijven van gedichten als een roeping voelde kende zijn vader hem een jaargeld toe waarvan hij zonder te werken kon leven. Hij brak zijn studie, die hem toch al niet boeide, in 1910 af en wijdde zich nu geheel aan de literatuur.

