Terug naar hoofdinhoud

Zoeken

Beroemde Graven


Geschreven: 19 juli 2003
Aangepast: 09 februari 2025
Auteur: Jos van Waterschoot
Categorie: Letteren

 * Amsterdam 2 maart 1820 - † Nieder-Ingelheim (Dui.) 19 februari 1887

 

Multatuli was het pseudoniem van Eduard Douwes Dekker. Hij werd geboren op 2 maart 1820 te Amsterdam. Zijn geboortehuis in de Korsjespoortsteeg herbergt nu het Multatuli Museum. Op achttienjarige leeftijd vertrok Douwes Dekker naar Nederlands-Indië waar hij als ambtenaar carrière maakte. Na omzwervingen langs veel standplaatsen in de hele archipel, belandde hij in 1856 in het district Lebak op Java. Hij stuitte daar op ernstige misstanden en toen zijn superieuren hem verboden in te grijpen, besloot hij ontslag te nemen uit 's lands dienst. Hij ging terug naar Europa en schreef daar in 1859 de roman Max Havelaar of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij. Met dit boek werd Douwes Dekker in een klap beroemd als Multatuli, het pseudoniem waaronder hij het boek in 1860 publiceerde. In de jaren daarna bleef hij schrijven en ontwikkelde hij zich tot een soort van nationaal geweten.

Portret van de schrijver Multatuli, César Mitkiewicz, 1864Portret van de schrijver Multatuli, César Mitkiewicz, 1864

Maatschappelijke en sociale misstanden konden onvoorwaardelijk op Multatuli's sympathie en betrokkenheid rekenen. De Ideën, een reeks bundelingen van korte en langere teksten, vormden daarbij feitelijk zijn hoofdwerk, omdat hij er artikelsgewijs inging op de situatie in Nederland in die dagen en zijn visie daarop gaf. Nadat Multatuli in 1878 definitief een punt had gezet achter zijn schrijverscarrière, trok hij zich definitief terug in Duitsland waar hij al enige jaren woonde. Verbitterd en lijdend aan astma sleet hij daar zijn laatste jaren. Zijn laatste woonplaats was het kleine stadje Nieder-Ingelheim in het Rijnland, in de buurt van Wiesbaden en Mainz. Daar stierf hij op 19 februari 1887.

Vele vrienden en bewonderaars bezochten Multatuli en zijn vrouw in Duitsland, anderen volgden Multatuli's laatste jaren vanuit Nederland door middel van briefwisselingen met hemzelf en zijn vrouw Mimi Hamminck Schepel. Van haar stamt de brief aan het bevriende echtpaar De Haas, waarin zijn laatste uren beschreven worden.

"... hy dacht er niet aan te sterven. Maar donderdag kreeg hy een aanval van asthma - waaraan geen eind kwam! eerst vrydag zei hy: dit is geen bui hieraan ga ik weg! De laatste nacht was vreesselyk. Morphine had de vorige nacht niet geholpen. Nu nam hy chloral. De dokter zei later saturdagmorgen dat de dosis te zwak was geweest. Hy had weinig gerust en was heel zwak, maar zyn pols was nog vry goed, en hy liep naar zyn kamer. Hy lag op de sofa daar en sprak van heengaan. Toen de dokter kwam hield hy toch vol dat Dek nog wat beter kon worden. Hy zou hem sterkere chloral geven en na wat rust zou hy zich beter voelen. Ik smeekte den dokter hem liever wat anders te geven om 't lyden kort te maken. Ik weet niet, of- enfin hy nam het om te slaapen. Hy sliep van half 3 tot 5 en hield toen eensklaps op te ademen. Het was uit!" (brief van 20 februari 1887)

Multatuli overleed op zaterdag. Op maandag 21 februari werd hij gekist, op 22 februari reisde men per trein naar Gotha. Daar werd het lijk op 23 februari 1887 verbrand en werd de as vervolgens in de urn gestopt. Eerst stond die tientallen jaren bij Mimi op de schouw, totdat zij in 1930 overleed, 43 jaar later pas. Haar as en die van Multatuli kwamen vervolgens terecht in het Multatuli Museum dat in 1910 was opgericht.
Urn van MultatuliUrn van MultatuliOver Multatuli's [zijn] voorkeur voor het cremeren boven het begraven, schreef hij [Multatuli] in een noot bij Idee 925: "Ik noemde in dit nummer 't woord 'christelyke begrafenis'. De sedert opgekomen beweging voor 't lykenverbranden, heb ik met vreugd begroet. Jammer dat de voorstanders van die verbetering met zoveel moeilykheden te kampen hebben. Maar vreemd is 't niet. Sedert eeuwen vonden de vromen in de akeligheden en spokeryen hunner kerkhoven, de trouwste bondgenoten voor hun bygeloof. Maar des te gebiedender eist het plichtbesef van welmenenden en ontwikkelden, dat ze den vyand dat wapen uit de hand slaan, en dus op 't invoeren - of althans op 't fakultatief veroorloven - van crematie blyven aandringen. De zaak is van hygiënischen aard, o zeker! Maar ze is dit niet minder voor 't denkvermogen van de levenden, dan voor hun lichamen. Dat er uit kerkhoven verpestende dampen opstygen, is ook als beeldspraak de volle waarheid."

In 1948 nam de Vereniging voor Facultatieve Lijkverbranding het initiatief om een monument op te richten voor de eerst gecremeerde Nederlander uit de geschiedenis. Zij nam daarvoor contact op met het Multatuli Genootschap, dat na de Tweede Wereldoorlog was opgericht en eigenaar was van het Multatuli Museum. Vereniging en Genootschap werden het spoedig eens en zo had op 6 maart 1948 een kleine plechtigheid plaats op begraafplaats Driehuis, waar de Vereniging het monument voor Multatuli had geplaatst. De as van Multatuli en Mimi waren uit hun urnen gehaald en in een asbus gestopt. Die bussen werden bij de plechtigheid in de voet van het monument geplaatst door prof. dr Garmt Stuiveling, de voorzitter van het Multatuli Genootschap. De urnen bleven in het bezit van het Multatuli Museum.

Urnmonument (foto René ten Dam)Urnmonument (foto René ten Dam)

Monument op Westerveld

Nadat er tientallen jaren later enige twijfel was gerezen of de as zich nog wel echt in het monument bevond, werd het monument in mei 1990 geopend. De asbussen van Multatuli en Mimi bleken echter nog steeds op hun plaats te staan, hoewel ze zwaar geoxideerd waren en vervangen moesten worden. Dat gebeurde, waarna eind mei de bussen opnieuw konden worden geplaatst. Sindsdien is het monument afgesloten. 

 

 


Geschreven: 18 juli 2003
Aangepast: 03 september 2021
Auteur: Pim de Bie
Categorie: Politiek

 

* Deventer 6 augustus 1882 - † Waarde 6 september 1948

 

Graf KerstenIn de parlementaire geschiedenis van ons land heeft zich slechts enkele keren een "nacht" voorgedaan die is vernoemd naar de veroorzaker van de val van een kabinet. De Nacht van Schmeltzer in 1966 is wel een van de bekendste. In de late avond van 10 november 1925 slaagde ds. Kersten, voorzitter van de tweemans-fractie van de SGP, erin een meerderheid achter zijn voorstel te krijgen om het gezantschap bij het Vaticaan op te heffen. Waarmee de Nacht van Kersten een feit was; het pas aangetreden eerste kabinet Colijn trad af.

Gerrit Hendrik Kersten voelde zich van jongsaf aan aangetrokken tot de orthodox-calvinistische Gereformeerde Kerken onder het kruis. Alhoewel zijn ouders, Gerrit Hendrik Kersten, beroepsmilitair bij de cavalerie en Jannetje van Velthuijzen, hervormd waren zal zijn streng gelovige moeder invloed op zijn keuze hebben gehad. Hij volgde aan de Christelijke Kweekschool in Den Haag een opleiding tot onderwijzer en was van 1899 tot 1902 als zodanig op de Gereformeerde Keucheniusschool in Den Haag werkzaam. Omdat hij de leer van Abraham Kuyper, betreffende de veronderstelde wedergeboorte, weigerde te onderschrijven ontstond er een conflict dat hem noodzaakte ontslag te nemen. Reeds in 1901 was hij aan een opleiding tot predikant begonnen. Zijn bevestiging in de Gereformeerde Gemeente van het Zeeuwse Meliskerke volgde in 1905. Een jaar later vertrok hij naar De Gereformeerde Gemeente in Rotterdam waar hij tot 1912 bleef. Hij nam het initiatief tot bundeling van een aantal kruis- en Ledeboeriaanse gemeenten. In 1907 werden zij tot de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika verenigd. Na 1912 werkte hij in Yerseke waarna hij in 1926 terugkeerde naar Rotterdam en daar tot zijn dood predikant was.

Omdat hij zich met de theologische opvattingen van Abraham Kuyper niet kon verenigen en bovendien de groeiende staatsrechtelijke invloed van de Rooms-katholieke kerk vreesde, besloot Kersten een nieuwe politieke partij op te richten. Tijdens een vergadering op 24 april 1918 in Middelburg werd de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) een feit. Kersten werd partijvoorzitter, een functie die hij tot 1945 bekleedde. Reeds in het jaar van oprichting deed de partij mee aan de kamerverkiezingen maar behaalde te weinig stemmen om een kamerzetel te mogen innemen. Vanaf 1921 verscheen het partijblad De Banier. Hij werd de hoofdredacteur en door zijn artikelen kreeg de SGP een duidelijk profiel. Mede hierdoor werden bij de kamerverkiezingen in 1922 voldoende stemmen op de SGP uitgebracht om een zetel te krijgen. Kersten deed zijn intrede in de Tweede Kamer en heeft van 1922 tot 1940 het gezicht van de SGP bepaald, zowel in de Kamer als in het land. In 1925 kreeg Kersten een partijgenoot naast zich en van 1929 tot 1937 kon de SGP zelfs drie vertegenwoordigers naar het parlement afvaardigen. Van stond af aan toonde hij zich een pleitbezorger voor een calvinistisch Nederlandse samenleving, gebonden aan God`s Woord en waarin voor filmvoorstellingen, wettelijk geregelde sociale zorg, sport, vrouwenkiesrecht en vaccinatie geen plaats was. Op 28 augustus 1931 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. 

Kersten had een druk bezet leven. Naast hoofdredacteur van De Banier werd hij hoofdredacteur van het tijdschrift De Saambinder, was docent op de op zijn aandringen opgerichte Gereformeerde Theologische School in Rotterdam en liet zich in de Tweede Kamer veelvuldig horen. Verzekeringsdwang, vaccinatieplicht, het roomse en socialistische gevaar, enkele van de meest uiteenlopende onderwerpen waar hij over sprak en soms, gezien de Nacht van Kersten, succes mee had. Bij de behandeling van de Bioscoopwet diende hij een amendement in om filmvoorstellingen geheel te verbieden. Het amendement werd verworpen. Daarnaast was hij de spil van zijn gezin dat met 4 dochters en 6 zoons de nodige drukte met zich meebracht. Hij had aan zijn vrouw Catharina Adriana Wisse, met wie hij op 15 juli 1905 was getrouwd, en haar twee inwonende zussen een enorme steun. 

Helaas liet zijn houding na de inval van de Duitsers in 1940 te wensen over. Hij vond Rome en Rood een groter gevaar dan het fascisme, keurde verzet tegen de Duitsers af, wilde het protest van het Convent der Kerken tegen de jodenvervolging niet ondertekenen en stond toe dat De Banier onder NSB-leiding bleef verschijnen. Hij deed een beroep op het Nederlandse volk terug te keren tot God's Woord. Dit alles was na de oorlog voor de Zuiveringscommissie reden genoeg om te besluiten hem niet meer tot de Tweede Kamer toe te laten. Ook werd hem ontzegd gedurende tien jaar als journalist werkzaam te zijn. In de na-oorlogse jaren hield hij zich vooral bezig met het schrijven van dogmatische geschriften en boeken. De gereformeerde dogmatiek en een verklaring van De Heidelbergse Catechismus (1948-1949) waren gerespecteerde werken. En dat is nog steeds zo. Buiten de kringen waarin hij verkeerde, stond Kersten bekend als een steil en onverdraagzaam man, maar bij zijn uiterst streng orhodoxe aanhangers had hij veel gezag en waardering als predikant, politicus, onderwijzer en journalist.

Hij overleed op 6 september 1948 aan een hartaanval en werd begraven op de Algemene begraafplaats Crooswijk in BijbelRotterdam, graf S-N-2648. In dat graf was reeds eerder zijn moeder (1859-1932) ter ruste gelegd. Na ds. Kersten werd zijn vrouw (1883-1957) hier ter aarde besteld.

Op de dekplaat bevindt zich een bijbel die is opengeslagen bij Openbaringen 14 vers 13: 'Zalig zijn de dooden die in den Heere sterven'.

 

Literatuur

  • M. Golverdingen: ds. G.H. Kersten. Facetten van zijn leven en werk (1971)
  • W. Slagter: Kersten, Gerrit Hendrik (1882-1948) - Biografisch Woordenboek van Nederland, deel 4 (1994)
  • Maurits van den Toorn: De laatste rustplaats van G.H. Kersten - Staatscourant van 12 augustus 2003

 


Geschreven: 18 juli 2003
Aangepast: 19 december 2019
Auteur: Pim de Bie
Categorie: Letteren

 

* Maastricht 25 juli 1865 - † Overveen 8 januari 1945

 

thijsse_portretJacobus Pieter (Co) Thijsse werd geboren als derde zoon van Jacobus Thijsse, beroepssergeant bij de infanterie, en Catharina Johanna Priester. Het was een christelijk gezin met 4 kinderen. Door de aan het beroep van zijn vader verbonden overplaatsingen woonde hij eveneens in Grave en Woerden. In deze plaatsen bezocht hij de lagere school. Het rivierenland rond Woerden maakte grote indruk op hem wat is terug te vinden in zijn in 1938 geschreven Verkade-album Onze grote rivieren.


Geschreven: 17 juli 2003
Aangepast: 17 december 2019
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Letteren

 

* Vierhuizen, 19 maart 1883 - † Ten Boer, 21 april 1956

 

arendsIn 1749 werd in Ezinge (Gr) Trijntje Alberts geboren. Door haar huwelijk met een Duits militair verhuisde zij na de geboorte van een dochter naar Duitsland, maar ze keerde terug naar Nederland na het overlijden van haar man. Inmiddels is ze dan ook moeder geworden van een zoon. Ze vestigde zich in Ezinge, waar ze als naaister bij de familie Arends in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen voorzag. Tijdens haar werkzaamheden vertelde ze de kinderen allerlei sprookjes en verhalen. Een van de kinderen heeft die verhalen in een schrift geschreven, dat uiteindelijk belandde bij mevrouw Eilina Johanna Huizenga-Onnekes, die het in 1928 als boek liet uitgeven onder de titel: Groninger volksvertellingen I. Het boek van Trijntje Soldaats. Een belangwekkend boek, omdat het een belangrijke bron was van volksverhalen uit de 18e eeuw. Daarnaast was het gedrukt op de persen van H.N. Werkman en had Johan Dijkstra het voorzien van houtsnedes. Beiden, zoals bekend, leden van De Ploeg. Trijntje "Soldaats" overleed in 1814 en is begraven bij de kerk van Ezinge, waar haar graf niet meer te vinden is. Het kind, dat de verhalen in 1804 in kinderlijk Nederlands in een schrift schreef, was Gerrit Arend Arends (1793- 1876). Hij is nog burgemeester geweest van de gemeente Ezinge. Zijn graf vinden we op de Algemene Begraafplaats te Ezinge aan de Allersmaweg.

Onnekes3{seog:disable}Op de Algemene Begraafplaats van Ten Boer (Gr) ligt Eilina Johanna Huizenga-Onnekes begraven. Op de grafsteen staat onder haar naam: folkloriste. Eilina Johanna Onnekes werd op 19 maart 1883 geboren te Vierhuizen als dochter van de predikant van Zoutkamp en Vierhuizen. Twee dorpen, waarvan Vierhuizen het oudst is.

Al in 1525 komen we de naam Veerhusen tegen. Vanaf 1571 spreekt men van Vierhuizen. Bij het dorp lagen een tweetal borgen, die in de loop van de tijd gesloopt zijn: Bewsum en Panser. Het oudste gebouw, dat er nog staat, is de Hervormde kerk uit 1664. Rond deze kerk bevinden zich nog een aantal oude zerken. Een heel bijzondere zerk is dat van Klaas Jans. Een zerk met een verhaal. Het verhaal van een schaatstocht met dramatische afloop. Ongetwijfeld heeft Line, zoals ze werd genoemd, dit verhaal horen vertellen en zelf gelezen op de zerk.

Vierhuizen1TER GEDACHTENISSE VAN DE EERSAME KLAAS JANS, IN ZYN
LEVEN HUISMAN OP MIDHUISEN ONDER VIERHUISEN, OVERLEDEN
OP DEN 1 FEBRUAR 1787 IN DEN OUDERDOM VAN 28 JAAREN, 5 MAANDEN
EN 2 DAGEN, NALAATENDE ZYN WEDU. LUIKTJEN LUES DYKHUIS EN
EEN ZOONTJE.

TOEN IK NOG WAS, ZEID MEN VAN MY / GEEN STERKER MENSCH ZIET MEN ALS GY / 'T WAS WAARLYK SOO, MAAR MERKT, DAT GOD / MY DEED ONTMOETEN TOT MYN LOT / DAAR 'K MORGENS VAN MYN VROUW EN KIND / HOE STERK GELIEFD EN TEER BEMIND / MYN AFSCHEID NAM, OP SCHAATSEN REED / NA GRUNO 'S STAD, DAAR NU NIEUW LEED / MY NU WEER TROF, DOORDIEN EEN BREUK / MY JAAREN LANK VEEL SMART EN KREUK / HEEFT ANGEBRACHT, VERMEESTERD MY / IN DEEZE STAND, WAAROM IK VRY / BY EEN BREUKMEESTER MY BEGAF / MAAR JUIST DIE MAN HAD OP DE PAS / VOOR MY GEEN BAAT, ZOODAT IK DOE / MY DUS BERIED OM NAAR HUIS TOE/ OP SCHAATSEN WEER TE RYDEN WOU / IN ZULK EEN STAND IS WAARE ROUW / DIE HYR OP VIEL, IK KWAM ZOO THUIS / DOORNAT GESWEET VAN PYN EN KRUIS / BY MYN GELIEFDE VROUW EN KROOST / DIREKT NA 'T BED, 'K WAS AFGESLOOFT / TERSTOND GEHAALD TWEE ARS OM RAAD / VLYT ANGEWEND, MAAR 'T WAS TE LAAD / WANT ZIET, GEEN KRUID VOOR MY ZY KENDEN / MOEST IK DEN DERDEN DAG TEN ENDEN / MYN LEEFTYD ZYN, DUS BEN IK NET / DE TYNDE DAG IN 'T GRAF GEZET / VANWAAR IK WEER VERYSEN ZAL / VAAR WEL GELIEFDE, LOOFT GOD AL.

Vierhuizen was een kleine gemeenschap, dat hoofdzakelijk bestond uit arbeiders, die werkten op de boerderijen in de omgeving. Zoutkamp, ontstaan rond 1575 als een versterking aan de monding van het Reitdiep, zag zich langzaam maar zeker ontwikkelen tot een vissersdorp. Wel werden er na 1795 gedurende de Franse overheersing nog Franse soldaten gelegerd om de Engelsen te kunnen afslaan; in 1882 werd de vesting definitief opgeheven en nam de bevolking toe. Er kwam in 1827 een eigen school en er verrees in 1836 een eigen kerk.

In 1897 verhuisde Line met het gezin naar Godlinze, waar haar vader als predikant beroepen was. Na enige jaren leerling geweest te zijn van de normaalschool te Bierum, werd ze aan de zorg toevertrouwd van een paar ongetrouwde dames in Groningen, die de laatste hand moesten leggen aan haar opvoeding. Niet ongebruikelijk voor meisjes uit de "betere" kringen. In 1909 trouwde ze met Jan Hendrik Huizenga en ze vestigden zich op een boerderij in Ten Boer om na 1950 in het dorp zelf te gaan wonen. Een actieve vrouw, die behalve boerin en huisvrouw ook zeer betrokken was bij het dorpsleven. Ze had een grote belangstelling voor geschiedenis en folklore. Dit zal ze hebben meegekregen van haar familie, zowel van vaders- als van moederszijde. Oom Johannes Onnekes was een van de eerste Groninger folkloristen.

Het schriftje met de sprookjes verteld door Trijntje Soldaats en de vraag, na een lezing die ze gehouden had over Gösta Berling van Selma Lagerlöf, of er ook zulke sagen in Groningen bestonden, deed haar erop uittrekken en mensen opzoeken, die haar op dat punt stof konden leveren. Het leverde zoveel op, dat na de uitgave van Groninger volksvertellingen I, het boek van Trijntje Soldaats, in 1929 volgde: Groninger vertellingen II, het boek van Minne Koning. Ook hier weer illustraties van Johan Dijkstra. In 1930 volgde Groninger Volksverhalen. Haar werk vond een gunstig onthaal. Treffend was de ongekunstelde, aanschouwelijke en kernachtige taal van de overgeleverde verhalen, die ze optekende uit de mond van vaak eenvoudige mensen, die ze opzocht om aan materiaal te komen. Ze schreef in diverse kranten en tijdschriften en hield vele lezingen met name over folklore en geschiedenis van Groningen. Daarnaast was zij lid van vele verenigingen, vaak bestuurslid, onder andere van de Maatschappij van Nederlandse Letterkunde. Mevrouw Eilina Johanna Huizenga-Onnekes overleed op 21 april 1956 in Ten Boer. In het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1956-1957 werd zij uitvoerig herdacht. 

Literatuur

  • Groningen Gids voor cultuur en landschap; Bedum (1994)
  • Nieuwe Groninger Encyclopedie; Groningen (1999)
  • K. ter Laan, Folklore in de Groninger letteren; Groninger Genootschap (1961)
  • A.J. Scholte, Jaarboek Maatschappij der Ned.Letterkunde 1956-1957
  • A. Pathuis, Groninger gedenkwaardigheden; Van Gorcum (1977)

Internet