Begraafplaatsen

Velen zien Eindhoven als een jonge stad, niet te vergelijken met die andere Brabantse steden als Breda en ’s-Hertogenbosch. Toch lijken al die steden qua historie behoorlijk op elkaar, zeker als je weet dat het huidige grondgebied van Eindhoven al rond de zevende eeuw bewoond werd. Dat is waarschijnlijk vroeger dan in welke andere stad dan ook in Noord-Brabant.

In de kerk van het Zuid-Limburgse Houthem bevindt zich een opvallend grafmonument. Vinden we in de rest van Nederland in kerken vooral grootse grafmonumenten voor zeehelden en personen van adel, in Houthem staat het houten praalgraf voor de heilige kluizenaar Gerlach, overleden in 1165. Over Gerlach zijn talloze beschrijvingen bewaard gebleven.

Schoonhoven ontstond op een gunstige plaats langs de rivier de Lek bij een dam in de veenstroom de Zevender. Begin dertiende eeuw werd aan de Lekzijde al een haven aangelegd en rond 1250 verrees er bij de dam een kasteel. Al vroeg werd er ook begraven bij de kerk die bij de haven werd gebouwd. De nederzetting was strategisch gelegen, groeide snel en kreeg al vroeg stadsrechten. Dit was ook de aanleiding voor de aanleg van vestingwerken.

Niet ver van het grootste hunebed van Nederland, even buiten het Drentse Borger, ligt aan de Marslandenweg een bescheiden Joodse begraafplaats. Het is een herinnering aan een kleine gemeenschap. De eerste Joodse familie die in de omgeving van Borger woonde, was het gezin van Marcus Davids. De familie vestigde zich in 1791 in het nabijgelegen Buinen.

Voor het jaar 1000 was er rondom het huidige Friese Workum al bewoning. Dat zal vooral op terpen zijn geweest omdat het gebied toen nog volledig beheerst werd door het getijde van het Almere, de oude binnenzee waar nu het IJsselmeer is gelegen. Twee van die terpen, Algeraburen en Kerkeburen, staan bekend als de eerste bewoningsplekken in deze omgeving. Niet lang daarna zal er hier ook begraven zijn.
De eerste joodse begraafplaats in de stad Groningen werd halverwege de achttiende eeuw aangelegd. Al enkele eeuwen voor die tijd kwamen Joden naar de stad en de provincie Groningen. In de eerste eeuwen werden deze Joden gedoogd, maar ze mochten niet al te veel opvallen.

Maar liefst drie Joodse begraafplaatsen kende de stad Groningen ooit. Tot ongeveer halverwege de twintigste eeuw bestonden ze alle drie nog, maar de oudste is ondertussen verdwenen. De twee resterende begraafplaatsen getuigen nog van het Joodse leven in de stad Groningen. De verdwenen Joodse begraafplaats is wel een verhaal waard, ondanks dat ze er niet meer is.

Het dorp Lekkerkerk is in de middeleeuwen ontstaan op een oeverwal langs de Lek. Het dorp werd voor het eerst vermeld in de dertiende eeuw maar de kerk is mogelijk ouder. Al vroeg was er in het dorp sprake van een kleine Joodse gemeenschap die uiteindelijk ook een eigen begraafplaats kreeg.

Lang geleden lag hier land, leefden er zo nu en dan mensen en leek het alsof dat altijd zo zou zijn. Rond het begin van onze jaartelling kreeg de zee het hier echter voor het zeggen. Bijna twee millennia lang werd er gevist en voeren er schepen en leek het er ook op of dit altijd zo zou zijn. Totdat de mens ingreep en deze ondiepe zee eerst afdamde (Afsluitdijk 1932) en later voor een groot deel inpolderde.

Aan de Celebeslaan in Eindhoven, stadsdeel Tongelre, ligt tegenover het Lorentz Casimir Lyceum in een bosperceel de voormalige Joodse begraafplaats van Tongelre. Het perceel is van dichtbij nog goed te herkennen, gelegen op een lichtelijk verhoogd terrein en met verzakkingen in de vorm van graven. Even verderop raast het verkeer voorbij op de Eisenhowerlaan, die al snel overgaat in de A 270. Vanwege de aanleg van deze weg moest de begraafplaats in de jaren zestig van de twintigste eeuw verdwijnen.